Mijne Maccer

 

September 2008

 

 

 

 

Ergens in de tweede helft van vorige eeuw perste Vader Abraham met zijn smurfenlied duizenden kleine blauwe wezentjes door de luidsprekers. Nog een stuk eerder in diezelfde tweede helft werden mijn nachtmerries steevast bevolkt door evenveel kleine grijze smurfachtigen die mij bewerkten met hamertjes en beiteltjes, om de zaagjes niet te vergeten. Grijs: want dromen deed ik in zwart/wit en dromen in kleur was waarschijnlijk nog niet uitgevonden.

 

Smurfen verbergen zich vandaag bij voorkeur in de zakken van ‘den deleiz’. Ze komen zo ongezien de voordeur binnengeglipt en leggen zich zoek in alle hoekjes en laatjes om tenslotte naar het voor hen bestemde plakboek te huppelen.

De verzamelkoorts heeft dan ook Maité in haar greep en een kleine ruilhandel wordt opgestart. Smurfen verhuizen van Ana en Zora naar Maité en vice versa. Wat Gargamel telkens weer niet lukt, lijkt voor Maité een koud kunstje. In het grote smurfenboek worden de smur-fen stuk voor stuk én netjes én voor eeuwig in hun vakje gevangen geplakt. En ... ‘Bompaaaa, lijm hoeft niet, ‘t zijn stickers!’: gniffelt Maité. Weet ik veel: opgegroeid met prentjes van Jacques en Meurisse, zelfs Pritt moest nog uitgevonden worden.

 

De smaak van het ruilen te pakken, peutert Maité een briefje van vijf euro uit haar spaarvarken. Ze nestelt zich tegen mij aan en fleemt poeslief: ‘Bompaaaa, ruilen?’ ‘Tuurlijk Maité’ en ik diep een briefje van vijf uit mijn portefeuille. Van het briefje van vijf in haar hand maakt haar blik een scheervlucht mijn richting uit. “Ik heb toch liever dat briefje van tien.’

‘Klein zakenvrouwtje’, glimlach ik, en probeer daar maar eens een speld tussen te krijgen. Je ruilt toch geen smurfenprentje nummer vijf voor een smurfenprentje nummer vijf terwijl dat zo gegeerde smurfenprentje nummer tien nog in je plakboek ontbreekt.

Waar komen jullie toch vandaan? Van den ‘Deleiz’!